Léon Stynen, het modernistische icoon van de Scheldestad

Léon Stynen wordt gezien als het modernistische icoon van Antwerpen. De architect, geboren in 1899, was zijn tijd zo ver vooruit dat zijn panden nu nog als eigentijds worden beschouwd. Samen met Nachman Kaplansky en Renaat Braem gaf Stynen vorm aan de modernistische kant van zijn thuishaven, de Scheldestad. 

 

Biografie

Stynen werd in zijn jonge jaren erg beïnvloed door zijn vader, een beeldhouwer en vormgever in de Antwerpse wijk Zurenborg. Hij drong zijn voorkeur nooit op aan zijn zoon: Léon was geen fan van de versierde architectuur van zijn vader. In 1921 studeerde Stynen af als architect aan het Nationaal Hoger Instituut in Antwerpen. Hij was niet enkel architect, maar ook stedenbouwkundige, ontwerper, stedenbouwkundig docent, directeur en onderwijshervormer. Als docent kon hij bruggen bouwen tussen de voor- en naoorlogse architecturale wereld. 

 

Het modernisme

“De naakte vorm was altijd mijn ideaal", zei Stynen ooit. Geïnspireerd door Le Corbusier en Mies Van der Rohe, lag zijn focus vooral op modernistische ideeën. Stynen had een voorliefde voor ruwe materialen. Het bezoek aan Chandigarh in India, een ontwerp van Le Corbusier en zijn neef Pierre Jeanneret, versterkte deze affectie alleen maar. Le Corbusier inspireerde Stynen met dakterrassen, paalbouw, vrije gevels en brede ramen met een adembenemend uitzicht. 

 

Van kerken en casino’s tot flatgebouwen en burgerwoningen

Voor Stynen was er geen enkele uitdaging te groot. Hij ontwierp het casino van Knokke, cultuurhuis deSingel in Antwerpen, verschillende kerken, flatgebouwen en ook tal van burgerwoningen. Stynen bracht het modernisme naar België en voornamelijk naar de Scheldestad. Heel wat van zijn werken werden bewaard en kunnen we nu nog steeds bewonderen. 

Het iconische BP-building, gebouwd in 1963, siert zijn thuisstad. Eerst zou dit gebouw op de Eiermarkt komen, maar Stynen overtuigde de opdrachtgever om voor de rand van de stad te kiezen. Dit gebouw is één van de meest gedurfde ontwerpen van de jaren ’60 in België. Het gebouw wordt als het ware opgehangen aan stalen kabels. Vliesgevels uit glas en hout geven het gebouw een karakteristieke look. 

Woning Janssens in de Berchemse wijk Pulhof heeft eveneens een grote architecturale waarde. Leon Stynen paste in deze woning alle principes van het modernisme toe en baseerde zich op Villa Savoye van Le Corbusier. De open ruimte op het gelijkvloers wordt niet gebruikt om te wonen, maar doet dienst als inkom, vestiaire en parking. De architect had veel aandacht voor buitenruimtes en plaatste terrassen op elke verdieping. Houtwerk zorgt voor een warm karakter en de slingertrap toont sierlijk. Er is goed nagedacht over de ruimtes en verhoudingen, wat zorgt voor comfort. Zo zijn er ingemaakte kasten op elke verdieping. Stynen wilde de eerste verdieping laten zweven, maar voor de zekerheid heeft hij toch voor een paalconstructie gekozen. Omdat er geen draagmuren nodig waren dankzij deze constructie, werden er grote panoramaramen gehanteerd over de volledige breedte van de gevel. 

Qua interieur was Stynen eerder klassiek dan modernistisch. Hij koos voor een visgraatparket in Woning Janssens, terwijl een modernist eerder zou kiezen voor een betonnen vloerbedekking. Op vlak van kleuren, volgde hij de theorieën van Le Corbusier. Een beperkt kleurenpalet was de regel. In Woning Janssens werd er gebruik gemaakt van geel, zwart, groen en donkerbruin. Een mooi kleurenspel werd gecreëerd. Dit interbellumhuis werd recent gerestaureerd naar zijn oorspronkelijke staat door de nieuwe eigenaars. 

 

Wereldtentoonstellingen

Stynen legde zijn hand tevens aan ontwerpen voor wereldtentoonstellingen. In 1930 kreeg hij de opdracht om paviljoenen te ontwerpen voor de wereldtentoonstelling in Antwerpen. Zijn voortreffelijke werk en contacten met Henry Van de Velde, zorgden ervoor dat hij ook mocht bijdragen aan het Belgisch paviljoen op de wereldtentoonstelling van 1939 in New York.